Nieuws

Vaststelling bekostigingsgrondslagen onjuist

De vaststelling van de definitieve bekostigingsgrondslagen op teldatum 01-10-2018 is niet goed verlopen. In veel gevallen is de bekostigingsstatus onjuist vastgesteld en via een bekostigingsbericht teruggekoppeld.

Zodra het probleem is opgelost, ontvangt u via BRON nieuwe bekostigingsberichten met de definitieve bekostigingsgrondslagen.

Bron: www.duo.nl

Vervangingspool voortzetten of starten per 1 januari 2020

Het Reglement Vervangingsfonds biedt ook voor het jaar 2020 weer de mogelijkheid om een vervangingspool in te richten.  Hieronder leest u wat u moet doen om een bestaande pool voort te zetten of om een nieuwe pool te starten.

Er bestaat al een vervangingspool
Alle besturen die per 1 oktober 2019 bij het Vervangingsfonds geregistreerd staan met een vervangingspool, vallend onder het reglement, ontvangen tijdig een brief met een handhaafformulier van het Vervangingsfonds. Via dit formulier kunt u aangeven dat u de vervangingspool wenst voort te zetten per 1 januari 2020.

Starten met een nieuwe vervangingspool
Als uw bestuur momenteel geen vervangingspool als bedoeld in ons reglement heeft, kunt u toestemming vragen aan het Vervangingsfonds om te starten met een vervangingspool. Meldt u voor 1 november 2019 schriftelijk aan via het aanvraagformulier en vermeld bij uw aanmelding de omvang van uw totale formatie in fte per 1 november 2019. Het Vervangingsfonds beslist binnen 8 weken op uw aanvraag.

Omvang vervangingspool
Ook vanaf 1 januari 2020 is het mogelijk om een vervangingspool met een omvang van 4% van de formatie (vereiste inzet is dan 98%) in te stellen of een vervangingspool met een omvang van 6% van de formatie (vereiste inzet is dan 100%). Bij uw aanmelding geeft u aan voor welke maximale omvang u kiest.

Bron: www.vervangingsfonds.nl

Dekkingsgraad daalt door lagere rente: grotere kans op verlaging

In het tweede kwartaal van 2019 verslechterde de financiële positie van ABP. Ondanks een positief rendement van bijna € 11 miljard daalde de actuele dekkingsgraad afgelopen kwartaal met bijna 4% naar 95,3%. Dat heeft te maken met de gedaalde rente. De kans op een verlaging van de pensioenen in 2020 neemt hiermee flink toe. We zetten 5 veel gestelde vragen voor u op een rij.

Hoe kan het dat de dekkingsgraad is gedaald?
Dat komt door de daling van de rente. Als de rente daalt, moeten we als pensioenfonds meer geld in kas houden om aan onze pensioenverplichtingen richting onze deelnemers te kunnen voldoen. Die verplichtingen stegen in het afgelopen kwartaal door de daling van de rente met € 28 miljard tot een recordhoogte van € 464 miljard. De dekkingsgraad geeft de verhouding weer van het geld dat we in kas hebben en onze pensioenverplichtingen. Hoewel een positief rendement van 2,5% (bijna € 11 miljard) zorgde voor meer geld in kas (in totaal € 442 miljard), weegt dat niet op tegen de stijging van de verplichtingen. Hierdoor daalde de actuele dekkingsgraad naar 95,3%. De beleidsdekkingsgraad – het gemiddelde van de dekkingsgraden over de laatste twaalf maanden – daalde hierdoor ook, naar 100,6%.

Wat vindt ABP van de verslechterde financiële positie?
Bestuursvoorzitter Corien Wortmann-Kool zegt hierover: ‘De rente is ook in dit kwartaal weer flink gedaald en dat is slecht nieuws voor pensioenfondsen, omdat we dan meer geld in kas moeten houden om aan onze pensioenverplichtingen te kunnen voldoen. We hebben mooie rendementen geboekt, maar de rente heeft een veel grotere invloed op onze dekkingsgraad. Die zorgt er nu voor dat we de laagste dekkingsgraad hebben sinds jaren. Pensioenverlaging komt daardoor dichterbij. De kans dat we de pensioenen van deelnemers in 2020 moeten verlagen is flink toegenomen en ook de kans op verlaging in 2021 blijft reëel. Ik maak me zorgen over de groeiende kloof tussen de ambitie in ons pensioencontract en wat deelnemers krijgen of verwachten.’

Waarom neemt de kans op verlagen in 2020 toe?
Kort gezegd komt het erop neer dat het waarschijnlijk nog een paar jaar duurt voordat het nieuwe pensioencontract er is (alleen het bevriezen en daarna langzamer oplopen van de AOW-leeftijd is nu al geregeld). Pensioenfondsen moeten zich nu dus nog houden aan de regels van het huidige contract. Binnen dit contract adviseert een commissie het kabinet iedere vijf jaar over de cijfers die pensioenfondsen moeten gebruiken voor diverse berekeningen. Die cijfers zeggen onder meer iets over de te verwachten rendementen waarmee gerekend moet worden. In 2014 werd het vorige advies gegeven, dus dit jaar, in juni, kwam er een nieuw advies. Dit viel per toeval samen met het nieuws en de discussies rond het pensioenakkoord. Omdat de verwachtingen van de financiële markten minder gunstig zijn, adviseerde de commissie dit jaar om met lagere verwachte rendementen te rekenen. En rekenen met een lager rendement voor de toekomst betekent dat de financiële positie van het fonds trager zal herstellen. Dat heeft tot gevolg dat de kans op verlagen volgend jaar (in 2020) binnen het huidige pensioencontract flink toeneemt.

Wanneer moet een pensioenfonds verlagen?
Er zijn twee situaties waarin we de pensioenen moeten verlagen: de eerste situatie is op korte termijn (in 2020) en de tweede op de iets langere termijn (in 2021). Om te bepalen of we in 2020 moeten verlagen, wordt er eind 2019 naar de actuele dekkingsgraad gekeken. Om te kijken of we in 2021 moeten verlagen, kijken we eind 2020 naar de beleidsdekkingsgraad én de actuele dekkingsgraad. Nu het kabinet het advies van de commissie heeft overgenomen, schrijven de nieuwe regels voor dat de actuele dekkingsgraad eind 2019 niet lager mag zijn dan circa 95% (dit was 88%). Zit ABP onder die kritische ondergrens? Dan moeten we de pensioenen in de loop van 2020 verlagen. De kans dat dit gebeurt, is nu aanzienlijk groter geworden ten opzichte van het eerste kwartaal. Op dit moment is er dus voor 2020 en 2021 een reële kans op verlaging van de pensioenen.

Hoe zit het met de kans op verhogen?
Verhogen van pensioen is voorlopig niet in beeld. Gedeeltelijk verhogen mag bij een beleidsdekkingsgraad van 110% of hoger. Vanaf 121,4% mag ABP volledig verhogen. Met de huidige beleidsdekkingsgraad van 100,6% is daar geen sprake van. De komst van een nieuw pensioencontract kan daar verandering in brengen.

Bron: www.abp.nl

 

MijnABP aangepast op nieuwe AOW-leeftijd

De AOW-leeftijd in Nederland zal vanaf 2020 minder snel stijgen dan nu het geval is. Dat komt door de Wet ‘temporisering verhoging AOW-leeftijd’, die op 3 juli is aangenomen. De pensioenleeftijd bij ABP is gekoppeld aan de AOW-leeftijd en verschuift daardoor nu. Vanaf vandaag kunt u op MijnABP rekenen met de nieuwe leeftijden die vanaf 1 januari 2020 ingaan en kijken wat dit voor uw situatie betekent.

De aanpassing van de AOW is één van de afspraken uit het akkoord over het nieuwe pensioenstelsel, dat in juni werd bereikt. In de praktijk betekent dit het volgende: in heel 2020 en 2021 blijft de AOW-leeftijd ‘bevroren’ op 66 jaar en 4 maanden (de huidige AOW-leeftijd dus). Daarna, vanaf 1 januari 2022, stijgt de AOW-leeftijd langzaam tot 67 jaar in 2024. Vanaf 1 januari 2025 groeit de AOW-leeftijd mee met de levensverwachting in Nederland. Máár: minder snel dan tot nu toe het geval was. In de oude situatie had een stijging van de levensverwachting met één jaar ook een stijging van de AOW-leeftijd met één jaar tot gevolg. Dankzij de nieuwe wet gaat de AOW-leeftijd met acht maanden omhoog bij elk jaar dat we langer leven. Wilt u weten wanneer u AOW krijgt? Op de website van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) vindt u een handige tool die dit voor u uitrekent als u uw leeftijd invult.

Ouderdomspensioen ABP verandert mee
Bij ABP is de ingangsdatum van het reguliere ouderdomspensioen gekoppeld aan de AOW-leeftijd in Nederland. Voor deelnemers die begin 2020 de nieuwe AOW-leeftijd van 66 jaar en 4 maanden bereiken, betekent dit nu dat ze ook eerder de pensioenleeftijd bereiken. Bereikt u begin 2020 uw nieuwe AOW-leeftijd? Dan wordt u hierover persoonlijk geïnformeerd. ABP neemt overigens ook contact met u op als u al eerder werd geïnformeerd over uw pensioen (op basis van de oude AOW-leeftijd), als u al ouderdomspensioen krijgt en de bedragen door de nieuwe situatie veranderen óf als de nieuwe AOW-leeftijd van invloed is op andere onderdelen uit de ABP-regeling, zoals uw arbeidsongeschiktheidspensioen.

Bekijk uw persoonlijke situatie
Benieuwd naar uw persoonlijke situatie bij ABP? Op MijnABP kunt u nu met nieuwe AOW-leeftijden rekenen.

Bron: www.abp.nl

 

Voorstel AOW-leeftijd aangenomen

De Eerste Kamer heeft ingestemd met het wetsvoorstel van minister Koolmees voor de langzamere verhoging van de AOW-leeftijd in Nederland. Ondanks de instemming bleken veel fracties nog wel met vragen zitten ten aanzien van een aantal onderwerpen, zoals de vergrijzing van de samenleving en het effect daarvan op het AOW-stelsel, de zware beroepen, de koppeling van de AOW-leeftijd en de levensverwachting, de duurzame inzetbaarheid van medewerkers, de uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel en de solidariteit binnen en tussen de generaties.

Toezegging
De minister zegde toe met een ‘roadmap’ te komen waarin hij uiteen zal zetten welke maatregelen nog zullen volgen binnen het principeakkoord van het kabinet met sociale partners over de pensioenen en hoe deze zich verhouden tot dit wetsvoorstel. De minister had de minister de Kamer om een snelle behandeling gevraagd van het wetsvoorstel. De bedoeling is dat de wet per 1 januari 2020 in werking treedt.

Bron: www.salarisnet.nl

Dit betekent de WAB voor het pensioen van payrollers

Een van de intenties van de WAB is dat de arbeidsvoorwaarden van payrollers gelijk worden getrokken met die van medewerkers met een vaste aanstelling. Toch lijken payrollers daar direct al wat vertraging in op te lopen, want het onderwerp pensioen voor payrollwerknemers is een jaar uitgesteld.

Payrolling in een notendop
Als een werknemer via payrolling wordt aangenomen, neemt een speciale payrollonderneming de verantwoordelijkheden voor de arbeidsvoorwaarden van de werknemer over van de werkgever. De werkgever wordt dan de inlener genoemd. De inlener hoeft vervolgens zelf niets meer te doen aan salarisadministratie en -betaling, inhouden van sociale premies en dus ook geen pensioen te regelen voor de werknemer. Omdat payrollondernemingen een eigen cao hebben, valt de medewerker ook niet onder de cao van de branche waarin hij of zij werkt. Hierdoor kunnen mensen met exact dezelfde functie toch totaal andere arbeidsvoorwaarden hebben.

WAB: gelijke voorwaarden voor payrollers
Met de komst van de WAB per 1 januari 2020, komt daar verandering in. Met uitzondering van de pensioenvoorwaarden, krijgen payrollers dezelfde arbeidsvoorwaarden als mensen in vaste dienst met dezelfde functie. Maar in plaats van gelijke pensioen gaat daar gelden dat payrollmedewerkers recht hebben op een ‘adequate’ pensioenregeling. Een pensioenregeling is in elk geval adequaat als die hetzelfde is als die van medewerkers in vaste dienst. Zo niet, dan gelden de voorwaarden van de pensioenregeling van de payrollonderneming.

Pensioen bij payrollonderneming
Dat betekent in een aantal gevallen dat de betreffende payrollonderneming dus een pensioenregeling moet gaan optuigen. De wetgever heeft daar een aantal minimumvoorwaarden voor benoemd:

  • Er mag geen wachttijd of drempelperiode zijn voordat de opbouw van het pensioen begint;
  • er moet zowel een voorziening voor een ouderdomspensioen als een nabestaandenpensioen zijn;
  • de premie die de payrollonderneming afdraagt is groter of gelijk aan de gemiddelde werkgeverspremie bij Nederlandse pensioenfondsen.

De kosten voor die pensioenregeling wordt opgebracht door de payrollonderneming, maar die kosten kunnen wel worden doorgerekend aan de inlener.

Concurrentie op pensioen
Met deze nieuwe regels wil de WAB voorkomen dat payrollers op arbeidsvoorwaarden gaan concurreren met de vaste werknemers. Want als payrollers een goedkopere (en voor hen kwalitatief lagere) pensioenregeling accepteren kan de arbeid dus goedkoper worden aangeboden. Dat is niet waar payrolling voor bedoeld is. Het moet onzorgen, niet voor een kostenbesparing op arbeid zorgen.

Waarom dan uitstel?
Als dat zo belangrijk is, waarom is het pensioen voor payrollers dan toch met een jaar uitgesteld? Dat heeft te maken met het feit dat er te weinig tijd was tussen het aannemen van de wet (op 28 mei) en de aanvang van de WAB (1 januari 2020) om de pensioenvoorziening te regelen en in te voeren. Volgens de betrokken partijen is daar minstens een jaar voor nodig. Daarnaast moet minster Koolmees ook de nodige kritiek dulden over de uitvoerbaarheid van deze maatregel. De belangrijkste klacht was dat payrolling hierdoor een duurdere oplossing wordt voor de werkgevers (inleners) dan het zelf aannemen van mensen. Werkgevers zullen proberen goedkopere oplossingen te vinden, door bijvoorbeeld de payrollonderneming te vragen het pensioen voor hun rekening te nemen. Dat zou drukken op de winst van die ondernemingen. Logischerwijs zijn zij daarom niet blij met dit aspect van de WAB.

Bron: www.salarisnet.nl

OCW blijft fusiecompensatie terugvorderen

Het ministerie van OCW gaat door met rechtszaken om fusiecompensatie terug te vorderen. Dat meldt onderwijsminister Arie Slob in reactie op vragen van de SGP.

De SGP wees Slob op een artikel van mr. Ronald Bloemers van VOS/ABB. Hij legt uit dat  nergens in de wet staat dat er voor toekenning van fusiecompensatie leerlingen moeten overgaan van een van de opgeheven scholen naar de fusieschool. Er kan dus volgens Bloemers geen sprake zijn van terugvordering van toegekende fusiecompensatie op grond van het feit dat er geen leerlingen zijn overgegaan.

Minister Slob stelt in zijn antwoorden dat daar wel degelijk sprake van moet zijn. Hij verwijst naar een toelichting op de wet waarin dat volgens hem staat. Ook wijst hij op artikel 121 van de Wet op het primair onderwijs (WPO). Op basis van dat artikel is het volgens hem ook zo dat bij een fusie leerlingen van een van de opgeheven scholen moeten zijn overgegaan naar de fusieschool om recht te behouden op fusiecompensatie.

Daarom blijft OCW doorgaan met het terugvorderen van fusiecompensatie in die gevallen waarbij geen leerlingen zijn overgegaan naar de fusieschool. ‘Er is geen reden om nu de terugvorderingen ongedaan te maken’, aldus Slob.

Wisselende uitspraken
In mei gaf de rechtbank Noord-Holland het ministerie van OCW gelijk in een zaak over terugvordering van ruim 3,3 ton fusiecompensatie. Het geld was toegekend aan een schoolbestuur in Noord-Holland voor een fusie waarbij geen leerlingen van de ene naar de andere school waren overgegaan. Volgens OCW was er daardoor geen sprake van samenvoeging. Het ministerie werd dus door de rechtbank in het gelijk gesteld.

Deze uitspraak staat haaks op een eerdere uitspraak in een vergelijkbare zaak. De Rechtbank Gelderland bepaalde in maart dat het in strijd is met de rechtszekerheid om de overgang van leerlingen als vereiste te laten gelden bij de toekenning van fusiecompensatie.

In januari was er een vergelijkbare uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant. Die bepaalde ook dat het ministerie van OCW geen fusiecompensatie kon terugvorderen op basis van het criterium dat er sprake zou moeten zijn van de overgang van leerlingen.

Bron: www.vosabb.nl

Een aantrekkelijkere onderwijsarbeidsmarkt

Werken in het onderwijs moet aantrekkelijker worden. En als leraar of lerares moet het makkelijker worden om je door het hele onderwijsveld te bewegen. Daarom willen onderwijsministers Van Engelshoven en Slob de bevoegdheden om voor de klas te mogen staan en de lerarenopleidingen zo inrichten dat er ruimte komt voor loopbaanontwikkelingen binnen, tussen en naar verschillende onderwijssectoren.

Het uitgangspunt voor modernisering van de arbeidsmarkt voor leraren is voor de ministers helder. “Lesgeven is een vak, en werken in het onderwijs is aan kwaliteitseisen gebonden. Vanuit deze basis kijken we naar de bevoegdheden en de lerarenopleidingen,” aldus de onderwijsministers.

Stapelen
De stap naar een ander vak of andere sector binnen het onderwijs blijkt vaak te groot. Zeker omdat dan naast de drukke baan in het onderwijs ook nog een nieuwe opleiding gevolgd moet worden en een nieuwe bevoegdheid gehaald. Het moet daarom mogelijk worden om bevoegdheden over de verschillende sectoren heen te stapelen. Een leraar kan dan kiezen voor een bevoegdheid voor één doelgroep over vakken heen. Of andersom; één vakspecialistische bevoegdheid voor meerdere doelgroepen. De combinatie van beide varianten is ook mogelijk en sluit aan bij de huidige bevoegdheden, die blijven bestaan. Als een leraar zijn bevoegdheden kan stapelen over sectoren heen wordt het ook makkelijker om te switchen tussen de verschillende onderwijssectoren, wat de loopbaanperspectieven voor leraren vergroot.

“Aantrekkelijkheid van het vak van leraar hangt met veel factoren samen. We hebben daarom al €270 miljoen geïnvesteerd in het salaris in het primair onderwijs en we investeren tot oplopend  €430 miljoen om de werkdruk in het primair onderwijs te verlagen. Nu gaan we ook zorgen voor meer loopbaanmogelijkheden voor leraren,” aldus minister Slob.

Lerarenopleidingen
Om het stapelen van bevoegdheden mogelijk te maken moeten de lerarenopleidingen ook flexibeler worden. Het kan helpen om via verschillende modules in de lerarenopleiding bij de gewenste bevoegdheid uit te komen. Door te benoemen welke pedagogische en didactische vaardigheden voor alle onderwijssoorten gelden kunnen leraren sneller aanvullende modules gericht op een specifiek vak halen.

Minister Van Engelshoven: “Met een nieuw bevoegdhedenstelsel en een flexibele lerarenopleiding moderniseren we de arbeidsmarkt voor docenten. Zodat meer mensen kiezen voor de lerarenopleiding en daarmee het mooie vak van leraar gaan en blijven uitoefenen.”

Ook moeten er meer specialisaties mogelijk worden binnen de huidige lerarenopleidingen. Toekomstige leraren kunnen er nu al voor kiezen om zich te specialiseren in het jonge kind, maar ook specialisaties in andere doelgroepen moet mogelijk worden. Het kan bijdragen aan de aantrekkelijkheid van de lerarenopleiding als studenten kunnen kiezen voor de specialisatie bovenbouw van het basisonderwijs, zodat er dan bijvoorbeeld ook geen stage  gelopen hoeft te worden bij de kleuters.

Zij-instromers
Ook is het van groot belang om rekening te houden met relevante ervaring en kennis van studenten. Vooral bij zij-instromers moet er meer aandacht komen voor verworven competenties. Helder moet worden wat je als zij-instromer nog moet leren en hoe de eerder opgedane kennis en vaardigheden gevalideerd worden.

Eind 2020 moet het ontwerp voor een nieuw bevoegdhedenstelsel klaar zijn, dit wordt ontwikkeld in nauwe samenwerking met leraren, scholen en lerarenopleidingen.

Bron: www.rijksoverheid.nl

Kamer wil landelijke norm voor basisondersteuning per schoollocatie

In het algemeen overleg van 26 juni werd al duidelijk dat de politiek fors wil ingrijpen in Passend onderwijs. In de nacht van 4 juli is een aantal moties aangenomen, onder andere over de effectiviteit van samenwerkingsverbanden, het wettelijk vastleggen van basisondersteuning en het beperken van financiële reserves.

De leden Heerema en Westerveld dienden een motie in, die is aangenomen, om bij de evaluatie Passend onderwijs in kaart te brengen hoe effectief samenwerkingsverbanden opereren, welke verschillen er tussen samenwerkingsverbanden zijn (o.a. wat betreft aanbod en organisatievorm) en hoe de vereveningsopgave eruitziet ten opzicht van de reserveposities. Zij verzoeken de regering te onderzoeken welke verschillende organisatiemogelijkheden er zijn om Passend onderwijs zo goed mogelijk vorm te kunnen geven. Tijdens het debat was de Kamer stelliger en klonken er geluiden om de samenwerkingsverbanden op te heffen.

Basisondersteuning
De leden Kwint, Westerveld en Van den Hul verzochten in een (aangenomen) motie de regering om met alle betrokkenen een landelijke norm voor basisondersteuning per schoollocatie te formuleren. De Kamer zal deze normen betrekken bij de evaluatie Passend onderwijs. In het algemeen overleg stelde de Kamer ook dat de basisondersteuning wettelijk vastgelegd moet worden.

Financiële reserves
De regering moet met de samenwerkingsverbanden afspraken maken over het zo snel mogelijk inzetten van reserves. Deze motie van de leden Van Meenen en Rog werd ook aangenomen. Zij beargumenteerden dat samenwerkingsverbanden relatief weinig risico lopen en vrijwel geen langlopende verplichtingen hoeven aan te gaan, waardoor ze geen hoge reserves hoeven aan te houden. Dit vinden zij bovendien in schril contrast staan tot de klachten over gebrek aan ondersteuning in de klas van scholen, ouders en leerlingen. De motie-indieners zijn van mening dat middelen beter ingezet kunnen worden voor bijvoorbeeld een tijdelijke aanvulling van het extra ondersteuningsbudget op scholen, professionalisering van leraren of het verbeteren van lesmateriaal en leermiddelen. Ook moeten de kosten van samenwerkingsverbanden in kaart worden gebracht, aldus de motie van Westerveld en Van Meenen.

Andere aangenomen moties over Passend onderwijs gingen over:

  • Samenwerkingsverbanden moeten de kosten voor onderwijs aan hoogbegaafden voor hun rekening nemen; voor ouders is een eigen bijdrage niet meer nodig;
  • Betere borging van Passend onderwijs in het curriculum van de lerarenopleidingen;
  • De minister moet een coalitie gaan opbouwen (bestaande uit schoolleiders, leraren, ouders, leerlingen, besturen, gemeenten, kinderopvang en jeugdzorg) om tot inclusief en goed onderwijs voor ieder kind te komen;
  • Het verhogen van de kwalificatieplicht, zodat ook jongeren met een handicap of beperking na hun 21st onderwijs kunnen blijven volgen als ze nog niet uitgeleerd zijn.

Bron: www.avs.nl

Zomervakantie? Niet voor scholen. Zij zoeken nog 4200 nieuwe collega’s

Scholen in het primair onderwijs moeten de komende zomervakantie alle zeilen bijzetten om te voorkomen dat tienduizenden leerlingen bij de start van het nieuwe schooljaar zonder leraar zitten. Zij komen nu nog zo’n 3500 leraren tekort. Dat blijkt uit onderzoek van DUO Onderwijsonderzoek in opdracht van de PO-Raad.

Het lerarentekort is daarmee weer zo’n vijf procent gegroeid ten opzichte van vorig jaar. Een deel van de vacatures wordt in de zomer op de valreep nog ingevuld, al geven schoolbesturen aan steeds meer moeite te hebben om werknemers te vinden. De besturen hopen dat ze een deel alsnog vervuld krijgen en verwachten voor 1400 vacatures helemaal geen leraren te kunnen vinden. Het gaat hierbij om zowel vacatures voor ‘reguliere banen’ als om vacatures voor de vervanging van zieke werknemers en werknemers die met zwangerschapsverlof zijn.

Naast leraren kampen scholen ook met een tekort aan schoolleiders en onderwijsondersteuners. Op dit moment wordt nog naar ongeveer 400 onderwijsondersteuners gezocht en 320 schoolleiders. Bijna één op de twintig scholen dreigt daarmee zonder schoolleider te komen te zitten.

Maatregelen
Dat de nood hoog is en scholen en hun besturen zich in bochten wringen om de problemen het hoofd te bieden, blijkt ook uit de maatregelen die zij nemen. Een op de vier schoolbesturen met tekorten geeft aan noodgedwongen onbevoegden voor de klas te zetten. Vorig jaar zagen één op de zes schoolbesturen zich hiertoe genoodzaakt. Ook zetten zij vaker dan vorig jaar stagiaires van de lerarenopleidingen in (55 procent in 2019, 45 procent in 2018) en vragen ze vaker leraren om later met pensioen te gaan (14 procent in 2019, 8 procent in 2019).

De helft van de besturen verwacht ook komend schooljaar af en toe klassen naar huis te zullen moeten sturen. Ook voegen ze groepen samen, vragen zij leraren die parttime werken, meer uren voor de groep te staan en zetten ze vakleerkrachten in voor onder meer bewegingsonderwijs en muzieklessen.

Opvallend is wel dat, vergeleken met 2018, een kleiner deel van de scholen met tekorten kampt. Omdat het totaal aantal vacatures wél stijgt, betekent dit dat de tekorten op verschillende scholen extra hard neerslaat. Daarmee groeien de verschillen tussen scholen en daarmee ook  de kansenongelijkheid voor leerlingen. De PO-Raad weet uit de praktijk dat het lerarentekort het hardste neerslaat bij kwetsbare kinderen. Het voortgezet speciaal onderwijs bijvoorbeeld verliest leraren aan het reguliere voortgezet onderwijs omdat zij daar beter worden betaald.

Kwaliteit onder druk
De kwaliteit van het onderwijs komt door de personeelstekorten onder druk te staan, stellen de besturen. Niet alleen omdat ook onbevoegden lesgeven, maar ook omdat er lang niet altijd tijd en ruimte over is voor bijvoorbeeld bijscholing van personeel. Bovendien groeit hun werkdruk. Zestig procent van de schoolbesturen geeft aan dat er minder tijd is voor leerlingen die extra ondersteuningsbehoeften hebben.

,,Dit is funest voor de leerlingen, hun toekomst staat op het spel. Het bewijst maar weer eens hoe hard het nodig is dat we er met kabinet en sector alles aan doen om de problemen op te lossen’’, zegt Rinda den Besten, voorzitter van de PO-Raad. ,,Het moet aantrekkelijker worden om leraar te worden. Dat betekent zorgen voor meer en diverse opleidingsroutes, meer doorgroeimogelijkheden en een eerlijk salaris voor alle werknemers!’’

Noodpakket
Om het nijpende lerarentekort en de hoge werkdruk in zowel primair als voortgezet onderwijs het hoofd te bieden, is nu een noodpakket nodig van 423,5 miljoen euro, bepleitten PO-Raad, VO-raad en de vakbonden afgelopen vrijdag. Daarmee kan worden gezorgd voor eerlijkere salarissen in het primair onderwijs, verbetering van arbeidsvoorwaarden daar waar het lerarentekort het grootst is in het voortgezet onderwijs en verlaging van de werkdruk voor álle leraren. De partijen deden een gezamenlijke oproep aan het kabinet om de noodzakelijke middelen in de begroting van 2020 vrij te maken.

Over het onderzoek
Aan het onderzoek deden ruim driehonderd schoolbesturen mee. Zij vertegenwoordigen samen zo’n 570.000 leerlingen.

Bron: www.poraad.nl

Zoeken
Agenda

Algemene vergadering Coöperatie CABO U.A.


  • Maandag 20 januari 2020, van 15.30 uur tot 17.00 uur. Locatie: kantoor CABO
  • Maandag 22 juni 2020, van 15.30 uur tot 17.00 uur. Locatie: kantoor CABO 

Regionale besturen bijeenkomst CABO-PON

     
  • Donderdag 10 oktober 2019
  • Woensdag 29 januari 2020
  • Donderdag 23 april 2020
  • Dinsdag 16 juni 2020
Laatste Nieuws
CABO Ondersteunt